Geest-drift

 Niets…

 

1 Petrus 5 vers 10: "De god nu van alle genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, Hij Zelf moge u na een korte tijd van lijden - toerusten, bevestigen, versterken en funderen."

Het coronavirus slaat genadeloos toe. Bij mijn schoonmoeder in het bejaardentehuis loopt het behoorlijk uit de hand. Het virus lijkt nog steeds onzichtbaar, hoewel wij nu een paar slachtoffers kennen: het komt met rasse schreden naderbij, onheilspellend!
Ik zag op tv weer een patiënt op de ic liggen: op z’n buik, een slang in zijn neus en een masker voor zijn gezicht. Ik moest aan Psalm 23 denken: “Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad.” Mijn God, dat durf ik niet eens uit te spreken!
De tekst hierboven begint met: “De God nu…”. ‘Nu’ is mijn moment achter het toetsenbord, ‘nu’ is jouw moment als je dit leest, ‘nu’ is mogelijk ons dal van diepe duisternis… op de ic? Mijn God, dat durf…
Ik denk nog vaak aan mijn moeder. In haar laatste levensjaar was haar stopwoord: “Wat een getob.” Ja, haar dal van diepe duisternis. Ik hoorde eens een broeder uit een ‘zwaardere’ kerk zeggen: “We moeten bereid zijn.” Dat ís wel zo, maar dat kunnen wij niet zelf: dat zal God op Zijn tijd geven, ik heb dat bij mijn moeder zien gebeuren! Zo ging het ook met Jezus: Hij bad: “Mag deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.” Toen was Hij nog niet bereid, terwijl Hij toch wist dat het moest! Pas op het laatst van Zijn lijden was Hij bereid en bad Hij: ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest.” Goede God, maak mij op Uw tijd bereid en leer mij daar nu al op vertrouwen!
Ongeveer een week voor haar overlijden heb ik met haar gebeden. Dat vond ik best moeilijk, maar ik had al zo vaak in het pastoraat met anderen gebeden, dan moest ik dat met mijn bloedeigen moeder toch ook kunnen? Ik bad om genade door de Heere Jezus en vroeg of Hij het goed met haar wilde maken en haar wilde opnemen. Na mijn ‘amen’ zei ze: “Dat was fijn.” We beleefden samen die ene zin uit Psalm 23: “De Heere is mijn Herder, mij ontbreekt niets” en het was goed: de God ‘nu’… voor ons samen. Wat is dan sterven nog? Wat is corona nog? Wat is ic?
Voordat ze begraven werd, heb ik tegen Sophie gezegd: “Als ik mijn hart volgde, had ik op de rouwkaart willen zetten: met dankbaarheid en grote vreugde…” Het klinkt natuurlijk gek, maar zo wàs het: ze kon niet meer, haar kaarsje was opgebrand. Ze zag uit naar het einde, naar de hemel, naar God en Hij verhoorde haar gebed: het was goed! Op haar rouwkaart stond een gedichtje naar Mattheüs 6 vers 19-26:
“God, Die de zorgeloze vogels
en de bloemen kleedt en voedt,
riep haar naar huis, ze was van ’t leven
zo moe geworden, zo is ’t goed.”
Ik dacht weleens: wanneer komt voor mij de klap, maar die bleef uit. Ja, ik mis haar nog steeds, maar toch is het goed!
Ik denk ineens aan die keer dat ik mijn haar belde om te vertellen dat ze er een kleinzoon bijgekregen had. Het was vier maanden na de plotselinge dood van mijn vader.
“Hoe heet hij?”, vroeg ze natuurlijk.
Ik zei: “Dat weet je wel.”
Haar antwoord was kort, in het Zeeuws, natuurlijk:
“Noe ‘ang ik maar op.”