Geest-drift

De hand van God…

Mattheüs 14 vers 31 en 32: “Jezus stak meteen Zijn hand uit, greep hem vast en zei tegen hem: Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld? En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.”

Ik heb een boek gekregen: ‘Heer, leer ons bidden.’ De korte verhalen zijn verlevendigd met foto’s van schilderijen. Eén schilderij spreekt me bijzonder aan: Petrus, die door Jezus gegrepen werd, toen hij figuurlijk door het ijs en letterlijk door het water gezakt was. Het schilderij heet: ‘de hand van God’: je ziet als het ware op je rug onder water liggend het vage beeld van Jezus boven de waterspiegel, terwijl Hij Zijn hand  uitsteekt om Petrus te grijpen.  
Twee dagen voor mijn vijfde verjaardag viel ik in het inktzwarte water van de Belgische Leie. Ik heb daarvan één beeld nog haarscherp op mijn netvlies: het door het water vertekende beeld van mijn vader die me nasprong. Nee, het is geen eng beeld. Ik viel in het water en mijn vader redde mij, logisch toch? Verder dacht mijn kinderziel nog niet, mijn geloof was toen nog simpel, zonder twijfels en recht voor z’n raap.
Het kan natuurlijk ook anders aflopen: ik ken het verhaal van een kind dat overboord viel. Zijn moeder sprong hem meteen na. Ze voelde hem, maar kreeg geen grip en duwde hem daardoor van zich af. Toen ze hem vonden was het te laat…
Hoe vaak zakken wij door het ijs en gaan kopje onder? Dan is Gód er en grijpt ons bij de kladden! Of…? Kan het ook gebeuren dat God ons probeert te grijpen, maar geen grip krijgt en ons juist afduwt? Oei, een enge gedachte… ik denk aan zelfdoding… Of grijpt God je dan tóch?  De slachtoffers, want dat zijn ze, kunnen het ons niet navertellen… Oei, enge gedachten… maar het gebeurt, toch? Eerlijk is eerlijk! Ik begeef me op glad ijs, nee, maak je geen zorgen, maar ik weet hoe het voelt: radeloos, redeloos… reddeloos…
Ik grijp nu terug naar een stukje uit mijn boek: “Het kielzog van mijn Vader: “Ik liep ’s nachts in mijn eentje door de kamer te spoken. Bidden kon ik niet meer: radeloos, redeloos en reddeloos. Ten einde raad greep ik mijn Liedboek. Het viel open bij Psalm 69. Mijn gedachten, die ik absoluut niet meer kon ordenen, vonden houvast aan die aloude woorden van David. Ik las en herlas tot de woorden langzaam tot me door begonnen te dringen. Na de zoveelste keer werd ik rustiger en begon ik te begrijpen ik dat ik gebeden had, terwijl ik het zelf niet kon! In Romeinen 8 vers 26 staat: “De Geest Zelf echter pleit voor ons in onuitsprekelijke verzuchtingen.” Ik mocht het beleven, dat had Hij voor mij gedaan! Die Geest deed mij in paniek naar mijn Liedboek grijpen, als een reddingsboei in het inktzwarte zuigende water.
Ik kon daarna weer naar bed. Ik lag nog lang wakker met een lichtje aan, want slapen durfde ik nog niet. Toch was ik rustig, omdat ik besefte dat God mij geholpen had. Waarom dit moest gebeuren? Dat wist ik tóen nog niet. Nu wel: daarná kon ik dat boek en deze column schrijven. Eén ding heb ik toen tussen angst en twijfel door geleerd: God is er ook voor mij. God laat nooit los, wat Zijn hand begon. God was heel mijn leven met me bezig. Zou Hij me dan op het laatste nippertje laten glippen? Dat zou zonde zijn, van de moeite aan míj besteed!
Toen ik nog een jochie was, stierf er een neef van mij op zeventienjarige leeftijd. Er waren toen mensen die zeiden: “Hij gaat verloren, want hij is nog niet bekeerd.” O zondige Farizeeërs!
Weet je nog? Psalm 121: “…uw ziel zal Hij bewaren”
Zullen we dat in vertrouwen bij God neerleggen?
En vertrouwen als een kind…