Geest-drift

Vakantie 7: Déja vu…

Mattheus 6 vers 25: “Daarom zeg ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, namelijk waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding?”
“Nous avons en panne.” Jawel, ik spreek een paar woorden vloeiend Frans! Panne, pompe à eau, radiateur, demain fini? Ik heb het allemaal paraat en dat is maar goed ook, want die Fransen verdraaien hun mond nog steeds niet voor één woord Engels. De koelvloeistof druppelde ergens uit. De radiator? De waterpomp? Weet ik veel!
Door vreselijk geklungel van die Haagse wielrijdersclub én die taalbarrière waren we, na 24 uur en een paar tientjes beltegoed armer, terug bij af. Vrijdagnamiddag voor Pinksteren stonden we hulpeloos op een industrieterrein: “Dinsdag gaan we ons best voor u doen, hoor.”
Hulde aan mijn nijdige terriër: ze beet haar tanden erop stuk, maar het mocht niet baten!
Weet je, dat geschutter van die hulppost én die taalbarrière, waren voor mij een herbeleving van de laatste jaren van mijn werkzame leven, op z’n Frans gezegd: een déja vue!: we liepen tegen diverse muren van onbegrip aan! Door de herinnering daaraan kwam alle ellende die we meemaakten weer boven. Je zou het kunnen vergelijken met een oorlogstrauma: alles en iedereen komt bedreigend, vijandig en beangstigend over. Ik verwachtte vanachter elke hoek, uit iedere mond, uit elke telefoon een nieuwe aanslag op mijn eigen ik, mijn vredige bestaan. Ik was ooit een standvastige optimist: ‘het zal wel loslopen’ was mijn motto, maar na mijn psychische toestanden komen bij tegenslag alle mogelijke en onmogelijke doemscenario’s opborrelen: angst, paniek, mijn wereld stort in! Ik vind het beroerd om vast te stellen: ik was vroeger de rust zelve, maar ben veranderd in een zenuwachtig juffershondje!
Met de camper viel het wel mee, we konden kleine stukjes rijden en hebben het pinksterweekend in goede orde maar wel wat saai doorgebracht. Eigenlijk was die verplichte pauze welt goed voor mij: ik kon in alle rust onze toestand relativeren. Kijk, dan merk je: ondanks alle ellende is God er tóch bij, maar dat ontdekte ik pas later!
We verkeerden nog wel in onzekerheid: wanneer heeft er iemand tijd en gaat er iets gebeuren? Dinsdagmiddag kwam er hulp: niet vanuit Nederland, maar in Frankrijk: vier wegridders, ‘les chevalliers’ van het depannagebedrijf, dat ons weggesleept had, besloten om vijf uur ‘s middags in hun eigen tijd het koelsysteem van onze camper te demonteren: ze vonden een lekke radiator en bestelden die bij een leverancier: we wisten eindelijk waar we aan toe waren! Het ging zelfs nog sneller dan we dachten: de volgende ochtend haalden de schatten zelf de bestelde radiator op en om één uur reden we weg!
We hebben een nacht op het afgesloten terrein van dat wegsleepbedrijf geslapen, naast enkele tientallen opgestapelde autowrakken. Oké, we overnachtten op plekjes die er idyllischer uitzagen, maar waar vind je het veiliger?
Toen Jezus de storm gestild had, vroeg Hij: Waar is dan uw geloof?
Mijn God, ik moet het U belijden: ik leer het nooit!
Het lichaam is méér dan de kleding!
Nú geloof ik het,
wéét ik het!
En morgen?
Dan trap ik er wéér in…
wéér een déja vue…